Behandelen met insuline

Type 1 diabetes wordt gekenmerkt door een tekort aan insuline.

De behandeling bestaat uit het opvangen van dit tekort door het toedienen van injecties met insuline. Ondanks het feit dat type 2 diabetespatiënten doorgaans zelf nog vrij veel insuline aanmaken, moet bij hen soms ook insuline ingespoten worden.

Hoe werkt insuline?
Insuline is een natuurlijk hormoon, geproduceerd door de alvleesklier. Insuline zorgt ervoor dat glucose uit het bloed kan opgenomen worden in de lichaamscellen. Glucose is een belangrijke brandstof voor de lichaamscellen. Zonder insuline kan ons lichaam geen gebruik maken van glucose als energiebron. Insuline bindt zich aan de cel op een bepaalde plaats van de celwand, namelijk op de receptor of ontvanger. Eens de binding ontstaan is, kan de glucose vanuit de bloedbaan in de cel worden opgenomen.

In feite is er steeds een kleine hoeveelheid insuline in het bloed aanwezig om de aanwezige glucose in het bloed te kunnen verwerken. Bij iedere maaltijd komt een grote hoeveelheid glucose in het bloed terecht en brengt de pancreas (alvleesklier) zeer snel een aangepaste dosis insuline in het bloed om de glucose van de maaltijd te kunnen verwerken en gedeeltelijk ook op te stapelen als reserve in de lever. Bij mensen met diabetes die insuline nodig hebben, zal men trachten d.m.v. insuline-inspuitingen, de normale werking van de pancreas na te bootsen.

In de beginfase van de behandeling van type 1 diabetes zijn hoge dosissen insuline nodig. Dit is een gevolg van de verminderde insulinegevoeligheid, uitgelokt door de hoge bloedglucoseconcentraties in de weken vóór de diagnose werd gesteld. Enkele dagen, weken of maanden na het opstarten van de insulinebehandeling kan een daling van de insulinebehoefte optreden, waardoor de toe te dienen hoeveelheid insuline heel sterk teruggebracht moet worden. Gewoonlijk stopt men de behandeling niet volledig omdat men uit ervaring weet dat hele kleine doses insuline de bèta-cellen verder ondersteunen, waardoor de duur van de zogenaamde "honeymoonfase" eventueel verlengd zou kunnen worden. Enkel wanneer er een verhoogde kans bestaat op hypoglycemieën wordt de behandeling volledig gestopt. Oorzaak van de honeymoonfase, ook wel remissiefase genoemd, is een toename van de effectiviteit van de resterende endogene insulineproductie. Het is een tijdelijk fenomeen, waarna de insulinedosis terug opgedreven moet worden.

Welke soorten insuline bestaan er?

Humane insuline
De chemische structuur is identiek aan de insuline die aangemaakt wordt door de pancreas. De insuline wordt gemaakt met behulp van genetische technieken, het plaatsen van humane insulineaanmakende genen in een gistcel of een bacterie.

  • Kortwerkende insuline (Actrapid®, Humuline® Regular, Insuman® Regular) is een oplosbare insuline. Kortwerkende insuline begint zijn activiteit ongeveer 20 minuten na een subcutane inspuiting. De insuline bereikt één tot anderhalf uur na inspuiting een piek. Kortwerkende insuline wordt gebruikt als bolus voor de maaltijd.
  • Intermediair werkende insuline (Insulatard®, Humuline® NPH, Insuman® Basal) is een troebele insuline die gebruikt wordt om te voorzien in de basale insulinebehoefte. Door chemische reactie gaat men snelwerkende insuline wijzigen zodat de werkingsduur verlengt. Zo zijn er verschillende soorten intermediair werkende en langwerkende insulines op de markt, elk gekenmerkt door een verschillende begin- en piekwerking. Welke soort insuline gebruikt wordt, is zeer individueel.
  • Mengsel van kort- en intermediair werkende insuline (Humuline® 30/70, Mixtard® 30)
    Dit zijn mengsels in verschillende verhouding van snelle en intermediair werkende insuline.

Insulineanalogen
Insulineanalogen zijn aangepaste vormen van humane insuline. Deze insulines hebben niet meer dezelfde structuur als humane insulines.

  • Ultrakortwerkende insuline (Humalog®, NovoRapid®, Apidra®)
    Bij kortwerkende insuline plakken de insulinemoleculen in groepjes van zes aan elkaar. De verbindingen moeten eerst doorbroken worden alvorens die insuline in het bloed kan worden opgenomen. Bij Humalog® en NovoRapid® plakken de insulinemoleculen niet meer aan elkaar waardoor ze veel sneller in het bloed worden opgenomen. De insulines kunnen onmiddellijk voor de maaltijd worden ingespoten en bereiken een half tot anderhalf uur na inspuiten een piek.
  • Langwerkende insuline (Lantus®, Levemir®)
    Lantus® (insuline glargine) heeft een piekloos werkingsprofiel van 24 uur en voorziet in de basale insulinebehoefte. De insuline wordt gecombineerd met de gebruikelijke maaltijdgebonden inspuitingen, maar mag ook in combinatie met orale antidiabetica toegediend worden. Ongeveer anderhalf uur tot twee uur na de inspuiting begint Lantus® te werken. Daarna stijgt de werking van de insuline naar een stabiel basisniveau. De inspuiting kan op elk tijdstip van de dag, maar eens het tijdstip gekozen, moet dit steeds op hetzelfde moment gebeuren.                                                                                                  Levemir® (insuline detemir) is een basaal analoog met lange werkingsduur. Levemir® heeft een gelijkmatige werking met verminderde intra-individuele variabiliteit in de nuchtere glycemie. Het effect van de insuline is dus minder variabel van injectie tot injectie. De gelijkmatige verlengde werking leidt ook tot het minder vaak optreden van nachtelijke hypoglycemieën.
  • Mengsel (Novomix® 30, Novomix® 50, Novomix® 70, Humalog® mix 25, Humalog® mix 50)

Hoe moet men insuline bewaren?
Bij een temperatuur tussen 2 en 8° C, zoals in de groentenbak van de koelkast, blijft insuline houdbaar tot de vervaldatum die door de fabrikant wordt vermeld.
Flesjes die in gebruik zijn, kunnen één maand op kamertemperatuur worden bewaard. Voorraad hoort thuis in de koelkast.
Insuline gaat stuk bij bevriezen en vertoont dan ook geen werking meer! Ook hoge temperaturen ( >45°) moeten vermeden worden omdat de activiteit sneller zal verminderen in de loop van de tijd.




Vlaamse Diabetes Vereniging vzw
Diabetes infolijn 0800 96 333
Contacteer ons