Te laag of hypo


Wanneer en waarom?

Normale bloedsuikers worden bekomen door een juiste insuline hoeveelheid afgestemd op de glucoseaanvoer (uit de voeding) en op het glucoseverbruik (door de spieren bij inspanning).
Bij het streven naar normale bloedsuikers kan het pril evenwicht verstoord worden en de bloedsuiker dalen tot een te laag niveau (minder dan 60 mg).

Hoe ontstaat een hypoglycemie?
  • een (relatief) te veel aan insuline als je insuline injecteert of tabletten gebruikt die de insulinesecretie stimuleren.
  • een te lage koolhydraten aanvoer, bijvoorbeeld bij uitstel van maaltijd
  • een verhoogd verbruik van glucose bij inspanning.
Veelal is hypoglycemie het gevolg van een combinatie van factoren: vb. meer lichaamsbeweging en uitgestelde maaltijd. Dikwijls is er dus een uitleg voor de lage bloedsuiker en kan je hypo’s voorkomen. Anderzijds kunnen er situaties voorkomen waarbij je deze oorzaken, maar theoretische nonsens vindt en de hypo niet onmiddellijk kan verklaren. Een ongelukkig samenkomen van factoren die de glycemie omlaag halen en een hogere beschikbaarheid van insuline in verband met wisselende absorptie vanuit het onderhuidse vetweefsel kunnen bijdragen tot zo’n onverklaarbare situaties.

Hoe voel je een hypo aan en hoe verklaar je dit aanvoelen?
Bij een dalende bloedsuiker (suiker lager dan 68 mg/dl) wordt aan de basis van de hersenen een zenuwcentrum geactiveerd. Voor de eenvoud noemen we dit centrum de ‘glucostaat’ (naar analogie met thermostaat).
Van hieruit worden signalen uitgezonden naar de zenuwbanen. Stress hormonen worden vrijgezet: glucagon uit de pancreas, adrenaline uit de bijnier. Deze hormonen worden ook tegenregelende hormonen genoemd omdat ze de bloedsuiker terug omhoog brengen.
Het geheel van tekenen ten gevolge van activatie van zenuwbanen ('zenuwtekenen') omvat beven, hartkloppingen (= palpitaties) en zweten.
Bij verder dalende bloedsuiker (minder dan 50 mg/dl) zijn er ook tekenen van suikertekort in de hersenen. Voor de juiste overdracht van signalen in de hersenen zijn deze zeer afhankelijk van een continue glucoseaanvoer. Als deze tekort schiet komt er: troebel zicht, concentratiestoornissen, hoofdpijn, duizeligheid, slecht humeur of agressie en bij verder dalende bloedsuiker bewusteloosheid.
In principe voel je dus eerst de 'zenuwtekenen' en pas als de bloedsuiker verder daalt, zullen 'hersentekenen' optreden.

Hoe grijp je best in bij hypo?
Snelle inname van 'snelle koolhydraten' is aangewezen. In de regel zijn 3 à 4 suikerklontjes (best opgelost in een vloeistof) of 4 à 5 druivensuikers aangewezen of een andere mogelijkheid is 150 ml (= 1 klein glas) frisdrank (nu geen light!!). Als de geplande maaltijd in aantocht is, kan je die na een 10-tal minuten nuttigen. Als de hypo echt tussendoor (nog meer dan een half uur voor de volgende maaltijd) of nachtelijk komt, vul je veiligheidshalve aan met traagwerkende koolhydraten. Dit is minder of niet noodzakelik voor personen die insulineanalogen gebruiken (extra voorzichtigheid bij nachtelijke hypo's is wel aangewezen). Hercontrole is steeds nodig, want een hypo kan aanslepen.
Informeer je omgeving in verband met de juiste behandeling bij een ernstige hypo waarbij je zelf niet meer kan ingrijpen. Bij bewusteloosheid (hetzelfde als niet wekbaar zijn, coma) mag eten of drinken niet in de mond gedwongen worden, er bestaat immers het gevaar van verslikking. Glucagen inspuiting is de juiste beslissing. In deze, gelukkig zeldzame, situaties moet de arts ook bijgeroepen worden voor het geval het tij niet zo snel keert als verwacht.

Voorkomen van hypo’s is beter!
Praktisch is het duidelijk dat uitstel van noodzakelijke maaltijden (koolhydraten, glucoseaanvoer) te vermijden is. Bij 2 en 4 insuline injecties moeten overdag soms tussenmaaltijden voorzien worden om hypo’s tussendoor te voorkomen. Bij een injectie van intermediairwerkende insuline voor het slapengaan hoort een koolhydraathoudende snack om hypo’s in de vroege nacht te voorkomen.
Bij fysieke inspanning (sport, tuinieren, …) met veel glucoseverbruik zijn extra koolhydraten nodig. Bevoorrading met gezonde koolhydraatrijke tussendoortjes is dan ook essentieel bij duursporten. Naast deze extra suikers voor, tijdens en ook na de inspanning moet dikwijls de insulinedosis voor (en na) inspanning verminderd worden. Bij lichtere inspanningen als een wandelingetje of een opknapwerkje kan je extra koolhydraten nemen of vooraf de insuline verminderen.
Ook de dosis tabletten kan soms aangepast worden in functie van de voorziene activiteiten, dit bespreek je best met je arts.
Het voor inspanning te verminderen aantal eenheden insuline (of (halve) tabletjes) bespreek je best met je arts. Juiste aanpassingsschema’s zijn immers afhankelijk van tal van factoren: algemene bloedsuiker controle en gebruikelijke insuline hoeveelheid, gewicht, intensiteit en duur van de inspanning. Dikwijls is dit een uitproberen en heraanpassen op basis van metingen en successen en falingen.
Bij systematische of herhaalde hypo’s op een bepaald tijdstip (bijvoorbeeld steeds in de voormiddag, eerder vroege nacht) neem je best contact op met je behandelend arts of diabetes team om de behandeling te wijzigen en het relatief teveel aan insuline te corrigeren.

Wat is een verminderd hypogevoel of "hypoglycemia unawareness"?
Bij langer bestaande diabetes of bij scherpe glycemieregeling kunnen de alarmtekenen (zweten, beven, hartkloppingen,…) minder uitgesproken zijn of treden deze slechts bij lagere bloedsuiker op. Dikwijls pas in combinatie met de 'hersentekenen'. Waarschijnlijk ontstaat het verminderd hypogevoel wanneer de 'glucostaat' door herhaalde hypo’s gewoon wordt aan een lagere glycemie en als het ware zijn instelpunt automatisch verlaagt. Deze glucostaat zal dan pas alarm slaan bij nog lagere waarden en zenuwtekenen zullen slechts optreden bij zeer lage waarden.
De hersenen daarentegen kunnen zich niet aanpassen aan lagere bloedsuikers en de ‘hersentekenen’ treden onveranderd op bij waarden minder dan 50 mg/dl.

Hoe voorkom je een verminderd hypogevoel?
Als de veronderstelling over de 'glucostaat' juist is, is een belangrijk punt in het behoud van het hypo gevoel het voorkomen van herhaalde en diepe hypo’s. Op die manier voorkom je dat de glucostaat zich op een lager instelpunt plaatst en minder of late alarmsignalen uitzendt. Bij het zoeken van een goede glycemieregeling probeer je m.a.w. niet in extremen te komen en probeer je herhaalde en diepe hypo’s te voorkomen. Als je alarmsymptomen van hypo voelt, meet je. Indien je een waarde lager dan 60 mg/dl meet, grijp je ook in en neem je koolhydraten in. Uitstellen heeft geen zin, want dit brengt je glucostaat alarm niveau omlaag en kan je hypogevoel nadelig beïnvloeden.

Kan een verminderd hypogevoel herstellen?
Bij een verminderd hypogevoel is gedeeltelijk herwinnen van een hypogevoel dikwijls mogelijk. Dit werd bewezen in 'blood glucose awareness training' programma’s. Het woordje ‘training’ spreekt voor zich en maakt duidelijk dat het gaat om volgehouden inspanningen.
De hoeksteen van dergelijke programma’s zijn dikwijls zeer zorgvuldige notities (schriftelijk of 'elektronisch') van wat je aanvoelt. Deze notities gebeuren 'onbevooroordeeld' d.w.z. voor de meting. Nadien kan je door zoekwerk een verband vinden tussen bepaalde gevoelens en een lage bloedsuiker Je kan je op de specifieke gewaarwordingen concentreren om nieuwe of diepere hypo’s te voorkomen.



Vlaamse Diabetes Vereniging vzw
Diabetes infolijn 0800 96 333
Contacteer ons