Het bepalen van suiker in de urine
Tot voor een tiental jaren was controle van de suiker in de urine de enige manier waarop men zelf zijn diabetes kon volgen. De opkomst van de zelfcontrole van de bloedsuiker heeft hierin veel verandering gebracht. Wanneer het bloedsuikergehalte een bepaalde waarde overschrijdt, verschijnt er suiker in de urine. Men noemt dit de nierdrempel. De waarde is meestal 160 à 180 mg glucose per dl. Naarmate het bloedsuikergehalte boven de nierdrempel uitgaat, wordt er meer suiker in de urine uitgescheiden. De nierdrempel varieert echter van persoon tot persoon. Bovendien zal de suikerconcentratie in de urine sterk verschillen naarmate je meer of minder hebt gedronken de uren tevoren. Vandaar dat resultaten ook niet steeds betrouwbaar waren en vervangen werden door de veel betrouwbaarder bloedmetingen. Soms worden urinecontroles nog aangeraden omwille van hun gebruiksgemak en geringe kostprijs (geen prik, bv. bij kleine kinderen) of omdat ze een idee geven van het bloedsuikergehalte over een langere periode, bijvoorbeeld de nacht. Als regelmatige controle van je bloedsuikerwaarden zijn ze echter niet geschikt en zeker niet voor het stellen van een diagnose.