Verhoogde kinderbijslag

Een verhoogde kinderbijslag kan aangevraagd worden wanneer een kind (jonger dan 21 jaar) een aandoening heeft met een vermindering van de geestelijke of lichamelijke geschiktheid tot gevolg.

Na uitgebreid overleg met organisaties van betrokken ouders, pediaters, paramedici en Centra voor Leerlingenbegeleiding wordt sinds 1 mei 2003 een nieuw meetsysteem gehanteerd voor de toekenning van deze toeslag. De vernieuwing kadert in de algemene programmawet sociale zaken (gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad in december 2002).

Vóór 1 mei 2003 werd enkel een verhoogde kinderbijslag toegekend indien er sprake was van een invaliditeitspercentage hoger dan 66%.
In het nieuwe meetsysteem wordt rekening gehouden met de globale situatie van het kind in zijn omgeving. De evaluatie verloopt via een drie pijlersysteem.
Een eerste pijler bepaalt het percentage mentale en fysieke ongeschiktheid van het kind. Daarvoor kunnen maximaal 6 punten gescoord worden.

Een tweede pijler meet de activiteiten en de participatie van het kind. Daarbij wordt de aandoening in al zijn componenten bekeken, namelijk de weerslag ervan op het leren en de opleidingskansen van het kind, de communicatie, de mobiliteit en de zelfverzorging met inbegrip van de preventieve en curatieve behandelingen die het kind moet krijgen. Hiervoor kunnen maximaal 12 punten gescoord worden.

Een derde pijler meet de familiale belasting, of met andere woorden de gevolgen van de aandoening van het kind voor het gezin. Daarbij wordt gekeken naar de behandelingen thuis, de verplaatsingen voor medisch toezicht en de aanpassingen van de leefomgeving en de leefgewoonten binnen het gezin. Op deze pijler kunnen maximaal 9 punten gescoord worden. Om het belang ervan te benadrukken, wordt dit aantal punten verdubbeld, waardoor deze pijler een even groot gewicht krijgt als de twee andere samen.

Hieruit blijkt dat niet alleen rekening gehouden wordt met de lichamelijke of mentale aandoening, maar ook met de sociale gevolgen ervan. Het denken in termen van “een toeslag voor het ergste leed” wordt enigszins verlaten en maakt plaats voor een graduele aanmoedigingspremie voor de inspanningen die geleverd worden op vlak van revalidatie en integratie van het kind.

Een kind heeft recht op een toeslag als het ófwel minstens 6 punten heeft voor de 3 pijlers, ófwel minstens 4 punten heeft voor de eerste pijler. De verhoogde kinderbijslag kan maandelijks tussen 70,60 € en 497,36 € bedragen.

Wie moet dit beoordelen?
Tot op heden ligt de beoordeling in handen van de controlearts van het Ministerie van Sociale Voorzorg. Het is niet evident dat een arts een goede evaluatie kan maken van pijler 2 en 3. In de toekomst zal dit leiden naar een evaluatie door een multidisciplinair team (dus ook sociaal assistent, verpleegkundige, psycholoog, e.a.). In dat kader zullen in de toekomst nieuw opgeleide artsen aangeworven worden en opleidingen gegeven worden aan de huidige betrokken artsen.

De gefaseerde invoering
Om budgettaire redenen, om overbelasting van de administratie te voorkomen en om tussentijdse bijsturing mogelijk te maken, gebeurde de invoering van het nieuwe systeem in stappen. In een eerste fase werden de kinderen geboren NA 1 januari 1996 opgenomen in het nieuwe systeem.

Vanaf 1 januari 2007 werd deze maatregel, op voorstel van minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid Rudy Demotte, uitgebreid naar kinderen geboren NA 1 januari 1993.

Sinds 1 mei 2009 kunnen kinderen van 0 tot 21 jaar met een handicap of aandoening, in aanmerking komen voor verhoogde kinderbijslag a.d.h.v. het drie pijlersysteem.

Praktisch
Wie denkt in aanmerking te komen voor deze verhoogde kinderbijslag, richt zich best tot zijn kinderbijslagfonds om de nodige documenten op te vragen.




Vlaamse Diabetes Vereniging vzw
Diabetes infolijn 0800 96 333
Contacteer ons