Diagnose

Bloedafname

De diagnose diabetes wordt gesteld na een labo-onderzoek van een bloedafname. Een vingerprik is niet geschikt om de diagnose te stellen.

De diagnose wordt in principe gesteld na een labo-onderzoek van twee bloedafnames. Er zijn meerdere manieren om een diagnose te stellen maar bloedsuikerwaarden die verkregen zijn met een vingerprik zijn in ieder geval niet geschikt . De bloedafname gebeurt best nuchter. Een nuchtere bloedsuikerwaarde (glycemie) hoger of gelijk aan 126 mg/dl wijst op diabetes. Bij een waarde tussen 100-125 mg/dl spreekt men gestoorde nuchtere glycemie of ‘prediabetes’. Wanneer de bloedafname op een willekeurig moment van de dag (niet nuchter) gebeurt, kan men pas met zekerheid van diabetes spreken als de bloedsuiker meer dan 200 mg/dl bedraagt. Bij zeer duidelijke symptomen van diabetes is de vaststelling van één afwijkende bloedsuikerwaarde in het labo, voldoende om de diagnose diabetes te stellen.

Sinds enige tijd wordt de diagnose soms ook gesteld via de bepaling van het HbA1c (= ‘versuikerde’ hemoglobine) in het bloed. Meer dan 6,5% of 48 mmol/mol wijst op diabetes. Ook in dit geval zijn twee metingen nodig om een goede diagnose te stellen. Deze methode wordt momenteel niet terugbetaald in ons land voor wie nog geen diabetes heeft.

Bij prediabetes kan je alvast een aantal zinvolle maatregelen nemen: bij overgewicht enkele kilo’s vermageren, gezond eten en regelmatig bewegen. Verder is het aangewezen de bloedafname na verloop van tijd, bijvoorbeeld na 6 maanden, te herhalen.

 
Deel dit bericht
Deel dit bericht