Injectietechnieken

Een juiste inspuittechniek draagt in belangrijke mate bij tot een goede diabetesregeling. De ingespoten insuline moet in de onderhuidse vetlaag terechtkomen. Daarnaast is het ook belangrijk om de insuline op een correcte manier te bewaren. 

Injectietechniek: praktisch

Onderstaande stappen beschrijven de juiste injectietechniek. Hou er rekening mee dat naaldjes steriel zijn. Na elke inspuiting moet je ze vervangen. Wil je ze toch hergebruiken, dan mag je dat zeker niet meer dan vier keer doen. Insulinenaaldjes bestaan in verschillende lengtes. Meestal gaat de voorkeur naar korte naalden van 4,5 of 6 mm.

  • Controleer of de pen technisch in orde is en of de patroonhouder nog voldoende medicatie bevat.
  • Klassieke traagwerkende of menginsulines moet je minstens 20 maal rollen of zachtjes kantelen tot de insuline een homogene melkachtige vloeistof is. Zeker nooit schudden.
  • Plaats het naaldje op de pen.
  • Kijk na of de naald doorgankelijk is door een tweetal eenheden weg te spuiten. Maak hiervan een gewoonte voor elke inspuiting.
  • Geef de inspuiting volgens de methode die je hebt afgesproken met de diabeteseducator.
    • Bij een kort injectienaaldje (4,5 of 6 mm) wordt meestal een loodrechte injectie zonder huidplooi aangeraden.
    • Bij langere naalden wordt doorgaans een injectie met huidplooi geadviseerd.
  • Laat de naald 10 seconden in de huid nadat de injectieknop volledig is ingeduwd.
  • Verwijder de naald van de insulinepen en gooi deze in de naaldcontainer. Indien je de naald wil hergebruiken, doe dan het doorzichtige kapje terug over de naald en verwijder het naaldje van het patroon.
  • Zorg ervoor dat je de pen terug veilig opbergt en dat er in het etui een reserve patroon/pen en een extra naald zitten.
     

Inspuitplaatsen

De meest geschikte inspuitplaatsen zijn de buik – behalve de zone rond de navel en ter hoogte van de taillelijn –, de voor- en zijkant van de dijen en de billen. Waar je op welk moment best spuit, bespreek je best met je diabeteseducator of arts. Het is zeer belangrijk om de plaatsen waar je injecteert af te wisselen en steeds onderhuids te spuiten.

Je mag niet te veel pijn voelen bij het inspuiten. Bepaalde plaatsen waar het spuiten pijn doet, zijn bijvoorbeeld in de buurt van de navel of aan de binnenkant van de dij waar veel gevoelszenuwen lopen. Ook te diep spuiten, zeker in de spier, kan pijnlijk zijn. Bovendien wordt de insuline in de spieren veel sneller opgenomen door de aanwezige bloedvaten.

Controleer elke dag de injectiezone. Indien je knobbels, verhardingen, kleurveranderingen of overgevoeligheid vaststelt, moet je dit melden aan je dokter of verpleegkundige. Zolang die verschijnselen niet verdwenen zijn, is het aangewezen om niet langer in de betrokken injectiezone te spuiten.

 
Deel dit bericht
Deel dit bericht