Moet de algemene bevolking gescreend worden op diabetes type 1? En hoe begin je daaraan?

Bij het Belgisch Diabetes Register (BDR) blijkt dat:

  • 90% van de deelnemende verwanten auto-antilichaam-negatief zijn;
  • 5% test positief voor 1 auto-antilichaam;
  • Bij 2% wordt asymptomatische diabetes type 1 vastgesteld (zie figuur 2).

Maar ook 85-90% van de nieuwe personen met diabetes type 1 hebben geen familiale voorgeschiedenis (lees: geen diabetes type 1 in de familie). Dat geeft aan dat screening in de algemene bevolking nodig is om een aanzienlijke impact te hebben. Screening bij de algemene bevolking kan op basis van genetica (screening op risico) of op basis van autoantilichamen.

De voordelen van vroege diagnose van diabetes type 1, preventie van diabetische ketoacidose bij diagnose en de mogelijkheid tot uitstel van insulinetoediening, samen met de consensus rond het concept asymptomatische diabetes type 1, zijn belangrijke criteria om een algemene screening voor diabetes type 1 aanvaardbaar te maken.

Maar screening naar vroege stadia van diabetes type 1 in de algemene bevolking roept verschillende vragen op: hoe stellen we een universele screeningstrategie op, welke tests worden gebruikt, hoe vaak moet er getest worden, hoe moet je iemand opvolgen die positief test, kunnen we een behandeling aanbieden, wat is de psychologische en economische impact ... De consensusgroep is momenteel bezig met deze vragen te beantwoorden voor onze Belgische context. Ook de Diabetes Liga is deel van deze consensusgroep. 

Screening op basis van genetica: screening op risico

Onderzoekers hebben geïdentificeerd welke genen en genetische variaties, zogenaamde single-nucleotide polymorfismen (SNP’s), het risico op diabetes type 1 verhogen. Met deze risicoscore of GRS kunnen personen met een verhoogd genetisch risico op diabetes type 1 opgespoord worden in de algemene bevolking. Wereldwijd zijn er verschillende projecten, waar de algemene bevolking op deze manier gescreend wordt. 

In Europa heeft het Global Platform for the Prevention of Autoimmune Diabetes (GPPAD) al bijna een half miljoen pasgeborenen, door een hielprik, gescreend op diabetes type 1. Met die risicoscore kunnen ze kinderen identificeren die meer dan 10% kans hebben om meerdere auto-antilichamen te ontwikkelen voor de leeftijd van 6 jaar. In deze groep spreken ze van ‘primaire preventie’. Dat wil zeggen dat ze proberen diabetes type 1 te voorkomen, nog voor het afweersysteem echt ontspoort. Denk aan interventies met orale insuline, probiotica of andere vroege interventies. 

Screening op basis van auto-antilichamen: vroege diagnose van diabetes type 1

Een andere manier van screening is om iedereen, zonder vooraf te kijken naar je genetisch risico, te testen op auto-antilichamen. Dat vraagt natuurlijk meer middelen en organisatie, maar blijkt veelbelovend om diabetes type 1 in de toekomst vroeger op te sporen. 

In het Duitse Fr1Da project werd deze screeningsmethode al gebruikt. Meer dan 150.000 kinderen (gemiddeld 3 jaar oud) werden getest op auto-antilichamen. Bij 0,3% van hen werd asymptomatische diabetes type 1 vastgesteld. Diabetes type 1 zat dus al in een ‘voorstadium’, zonder symptomen.

In tegenstelling tot screening op basis van genetica (zie hierboven), kan screening op basis van auto-antilichamen niet plaatsvinden bij de geboorte. Deze vorm van screening is leeftijdsafhankelijk omdat deze antistoffen pas verschijnen zodra het afweersysteem begint te reageren tegen de bètacellen (seroconversie). Daarom is het momenteel nog niet duidelijk wat de beste strategie is voor deze screening. 

Enerzijds moet er een balans gemaakt worden tussen zoveel mogelijk personen screenen en het haalbaar houden op vlak van middelen en organisatie. Anderzijds rijst de vraag op welke leeftijd personen gescreend kunnen worden.

Uit recente analyses van personen met een familiaal en/of genetisch risico blijkt dat er twee mogelijke opties kunnen zijn:

  • Eenmalige screening rond de leeftijd van 3-4 jaar
  • Tweedelige screening rond de leeftijd van 2 en 5 à 7 jaar

Wat brengt de toekomst?

Nieuwe onderzoeksprojecten, zoals EDENT1FI, zullen in de toekomst verder helpen bepalen welke aanpak het meest effectief is voor toekomstige vroege opsporing.

Na de leeftijd van 15 jaar kan iemand met negatieve auto‑antilichaamresultaten gerustgesteld worden: de kans dat er daarna nog auto‑antilichamen verschijnen, is erg klein. Maar het blijft belangrijk om te weten dat ongeveer de helft van alle mensen met diabetes type 1 hun eerste symptomen pas krijgen na hun 18de verjaardag. Daarom raden onderzoekers aan om:

  • tot 12 jaar elke 2 jaar te testen,
  • en na 12 jaar om de 5 jaar te testen.

Eens je ouder bent dan 18 jaar, is verder testen niet meer nodig. Tenzij je deelneemt aan een onderzoeksproject.