Wat gebeurt er in je lichaam voor de diagnose van diabetes type 1?
Diabetes type 1 is een auto-immuunaandoening waarbij het eigen immuunsysteem de insuline-producerende cellen in alvleesklier (pancreas) aanvalt. Het lichaam maakt daardoor in het begin onvoldoende en uiteindelijk geen insuline meer aan. Daarom bestaat de behandeling steeds uit het toedienen van insuline. Op het moment van de diagnose is vaak al 60-90% van de insuline-producerende cellen in je lichaam vernietigd door je afweersysteem. Intussen weten we dat dit proces maanden tot zelfs jaren eerder begint, nog voor je symptomen vertoont.
De auto-immuunreactie die plaatsvindt tegen de bètacellen (insuline-producerende cellen) in personen met diabetes type 1, ontstaat maanden tot jaren voordat de symptomen zichtbaar worden. Deze asymptomatische stadia, zogenaamde vroege fases van diabetes type 1 waarin je lichaam al veranderingen doormaakt zonder duidelijke symptomen, kunnen we wel opsporen via bepaalde autoantilichamen in het bloed. Autoantilichamen zijn tekenen dat je afweersysteem de cellen die insuline maken (bètacellen) begint aan te vallen. Deze autoantilichamen zijn belangrijke indicatoren voor de ontwikkeling en vooruitgang van diabetes type 1 (zie figuur 1 onderaan). Dankzij vroegdetectie en screening kunnen onderzoekers diabetes type 1 al opsporen voordat symptomen optreden.
Insuline?
De alvleesklier (pancreas) maakt het hormoon insuline aan. Insuline is een hormoon dat je lichaam nodig heeft op bloedsuiker (glucose) uit het bloed in je lichaamscellen te krijgen. Die cellen gebruiken bloedsuiker (glucose) als energie, zodat je lichaam kan blijven functioneren. Bij diabetes kunnen de cellen onvoldoende suiker (glucose) opnemen, waardoor het zich ophoopt in het bloed.